Bij een Product Carbon Footprint gaat over het algemeen de meeste tijd naar dataverzameling en berekening. Problemen en vertraging ontstaan vaak doordat de eerste stappen te weinig aandacht krijgen: het bepalen van de scope en het afbakenen van de grenzen. Wie hier vanaf het begin scherpe keuzes maakt, voorkomt dat later onbruikbare data wordt verzameld of onnodige berekeningen worden uitgevoerd.
In dit artikel zoomen we in op de eerste stap: het bepalen van de scope. De scope geeft antwoord op de vraag: wat brengen we precies in kaart? Daarbij leg je drie zaken vast: het bestudeerde product of de dienst, de eenheid van analyse — ook wel de functional unit — en de referentiestroom. We lichten deze drie onderdelen toe, zodat je gericht aan de slag kunt met het bepalen van de juiste scope.
Het bestudeerde product binnen de PCF
De eerste vraag is misschien de meest voor de hand liggende: welk product onderzoek je precies? In de praktijk is dat zelden zo eenduidig als het klinkt. Stel dat je producent bent van isolatieplaten met twaalf varianten. Maak je een PCF per variant? Voor de bestverkochte? Voor de variant die in de markt als duurzaam wordt gepositioneerd?
Het antwoord hangt af van het doel van je PCF. Voor een specifieke klantvraag heb je vaak één variant nodig. Voor interne sturing kies je de meest representatieve. Voor marketing kan een vergelijking tussen varianten waardevol zijn.
Onze tip: begin altijd met één product. Kies een product waarvoor je voldoende data kunt verzamelen en dat strategisch relevant is voor je bedrijf. Wie meteen meerdere producten tegelijk wil aanpakken, loopt vrijwel zeker vast op datacomplexiteit. Schaal pas later op naar productfamilies of een portfolio.
De functional unit van een PCF
De functional unit beschrijft niet het product zelf, maar de functie die het product levert. Dat klinkt abstract, maar uiteindelijk is het de functie waarop een product wordt beoordeeld. Een hele mooie auto die niet rijdt is niet zo veel waard. Een helder geformuleerde functie maakt eerlijke vergelijking mogelijk tussen producten en tussen verschillende versies van hetzelfde product.
Een goede functional unit bestaat uit drie onderdelen:
- Functie — wat doet het product?
- Hoeveelheid — hoeveel van het product gebruiken we?
- Levensduur — hoe lang of hoe vaak wordt het product gebruikt
Voorbeeld: de boodschappentas
Een producent wil de footprint bepalen van een boodschappentas. Drie varianten liggen op tafel:
Een papieren, een plastic en een katoenen tas.
Welke is duurzamer? Zonder functional unit is daar geen eerlijk antwoord op te geven.
Met die functional unit verschuift de vergelijking van het product naar de geleverde functie. De drie tassen verschillen sterk in hoe vaak ze kunnen worden hergebruikt, een papieren tas misschien één keer, een katoenen tas vijftig keer of meer.
Voor producten waarbij de gebruiksfase weinig uitmaakt (zoals een verpakking) is de functional unit vaak het product zelf. Voor producten waarvan gebruik bepalend is, een LED-lamp, een telefoon, een voertuig, een isolatieplaat, is een goed gekozen functional unit cruciaal. Zonder ondervang je het effect van levensduur en efficiëntie niet.
De referentiestroom
De referentiestroom volgt logisch uit de functional unit: hoeveel product is nodig om die functie te leveren? De referentiestroom is de basis voor alle dataverzameling, het bepaalt de omvang van materiaal- en energie-inputs in je berekening.
Terug naar het boodschappentas-voorbeeld. De functional unit was “5 liter boodschappen, 50 keer vervoeren”. De referentiestroom per variant:
- 50 papieren tassen (één keer te gebruiken)
- 25 plastic tassen (twee keer te gebruiken)
- 1 katoenen tas (50 keer, met 5 keer wassen)
Stel dat de katoenen tas in werkelijkheid 100 keer mee kan, in plaats van 50. Dan verandert de referentiestroom voor die variant:
- 0,5 katoenen tas (50 keer gebruiken, deel van de levensduur)
Hieruit volgt direct het inzicht: Hoe langer of hoe vaker een product hergebruikt kan worden, hoe lager de PCF per gebruik. Hiermee stimuleert de functional unit om een product duurzamer te ontwerpen. Een herbruikbaar, repareerbaar, wasbaar, steviger product komt naar voren wanneer er wordt gekeken naar de volledige functie.
Conclusie
Een sterke PCF begint niet bij data, maar bij keuzes. Door in de eerste stap scherp te definiëren welk product je onderzoekt, welke functie centraal staat (functional unit) en hoeveel product daarvoor nodig is (referentiestroom), leg je een belangrijke basis voor de rest van je analyse.
Wie deze scope op de juiste manier bepaalt, voorkomt dataverlies, herwerk en verkeerde conclusies. Bovendien maakt het een eerlijke vergelijking tussen producten mogelijk en zorgt het ervoor dat de uitkomsten werkelijk sturen op impact.
Kortom: zorgvuldig scoped werk is geen administratieve stap, maar een strategische keuze. Investeer hier tijd en aandacht in en je bespaart die later dubbel en dwars in je PCF-traject.
Auteurs

Nathalie Geerts – adviseur | Nathalie heeft een Master Sustainable Business and Innovation. Zij combineert inhoudelijke expertise met een scherpe visie op duurzaamheid. Nathalie is sterk in het begeleiden van organisaties bij het opstellen van CO₂-footprints, SBTi-commitments en reductieplannen. Haar stijl is helder, verbindend en altijd gericht op impact.
Daniel Derksen – adviseur | D
Meer informatie
- Product Carbon Footprint; een duidelijk plan voor duurzaamheidsmetingen
- Hoe bereken je een Product Carbon Footprint: de CO₂-emissies van een product?
- Je scope 3 klopt, maar klopt het ook per product?
- De juiste data voor een betrouwbare CO₂-footprint: hoe zit dat?
