Een grote retailer scherpte zijn eisen aan de klimaatrapportage van leveranciers aan. Voor een Nederlands brood- en banketbakkersbedrijf betekende dat: aantoonbaar inzicht in de eigen CO₂-uitstoot, of een belangrijke klantrelatie onder druk. Groenbalans begeleidde het bedrijf van eerste afbakening tot een footprint waarop de directie kan sturen.
Zodra een topklant transparantie eist, verschuift duurzaamheid van het domein van de duurzaamheidsmedewerker naar de agenda van directie en CFO. Het is dan een financieel onderwerp.
“Groenbalans is voor ons een ontzettend fijne en zeer kundige samenwerkingspartner. Ze brengen structuur in complexe materie en maken de data helder en toepasbaar. Hun flexibiliteit, deskundigheid en prettige manier van samenwerken sluiten perfect aan bij hoe wij als ONE HUNDRED met partners willen bouwen aan duurzame impact.” Marielle Romeijn, Directeur ONE HUNDRED Restrooms.
Waarom klanten steeds vaker om CO2-data vragen
Grote afnemers willen hun eigen ketenuitstoot in beeld krijgen. Die uitstoot zit grotendeels bij hun leveranciers. Daarom vragen ze om:
- Emissiedata over Scope 1, 2 en 3
- Klimaatdoelen en de voortgang daarop
- Reductieplannen met concrete maatregelen
Duurzaamheidsinformatie weegt bovendien steeds zwaarder mee bij inkoop en aanbestedingen. Wie geen overtuigend antwoord heeft, loopt commercieel risico.
“We willen niet alleen inspireren met onze missie, maar ook inzichtelijk maken waar onze impact ligt – en waar het beter kan.”
Robert van Veen, CSO Natuurhuisje.
Eerst afbakenen, dan meten
Het bakkersbedrijf werkt in een brede waardeketen: inkoop van grondstoffen, verwerking, opslag en distributie. Voordat er iets te meten viel, moesten drie vragen beantwoord zijn:
- Welke onderdelen van de organisatie vallen onder de rapportage?
- Waar zit de uitstoot?
- Welke CO2-data is betrouwbaar genoeg om mee te rekenen?
Een scherpe afbakening voorkomt dubbeltellingen. Die ontstaan bijvoorbeeld als entiteiten binnen hetzelfde concern elkaar goederen of diensten leveren. Groenbalans bracht daarom eerst de organisatiestructuur en de operationele inrichting in kaart. Op basis daarvan stelde het team één consistente rekenmethode op volgens het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol).
Welke data per scope nodig is
Als je een footprint maakt zijn er verschillende soorten data per scope die je kan verzamelen. Het Greenhouse Gas Protocol onderscheidt hier twee type data om je footprint te kwantificeren: directe meting en berekening. Het GHG-Protocol onderscheidt hier twee type data om je footprint te kwantificeren:
- Bij directe meting worden de emissies letterlijk gemeten op de bron zelf. Dit gebeurt met sensoren of meters die direct registreren hoeveel uitstoot er plaatsvindt.
- Voorbeeld: Stel, je hangt een CO₂-sensor in de schoorsteen van een fabriek. Deze sensor meet continu hoeveel CO₂-equivalenten daadwerkelijk uit de schoorsteen komen. Je krijgt dus een exacte emissiewaarde, zonder aannames of berekeningen op basis van brandstofverbruik.
- Berekening is de meest gebruikte methode en werkt op basis van activiteitdata vermenigvuldigd met emissiefactoren.
- Activiteitdata is een kwantitatieve maat voor het niveau van een activiteit die leidt tot broeikasgasemissies. Simpel gezegd: hoeveel je van iets doet dat uitstoot veroorzaakt.
- Voorbeeld: je rijdt voor een zakelijke afspraak naar Antwerpen en legt 300 kilometer af met een benzineauto. Dat komt neer op ongeveer 20 liter brandstof. Het aantal kilometers of liters brandstof zijn de type ‘activiteitsdata’ die je kunt gebruiken om de uitstoot van de reis te berekenen.
- Emissiefactoren zijn omrekeningscoëfficiënten die activiteitdata omrekent naar emissies. Deze emissiefactoren komen uit wetenschappelijke databases zoals Ecoinvent of nationale bronnen zoals de DEFRA. Ze verschillen per jaar, regio en sector, zodat de berekening zo nauwkeurig mogelijk is.
- Voorbeeld: De emissiefactor voor benzine is bijvoorbeeld 3,06 kg CO₂ per liter. Door 20 liter te vermenigvuldigen met 3,06 kg CO₂/liter, bereken je dat deze rit naar Antwerpen ongeveer 61,2 kg CO₂ uitstoot.
Hoewel emissiefactoren over het algemeen gestandaardiseerd zijn, kan de kwaliteit van activiteitdata sterk variëren. Daarom is het onderscheid tussen primaire en secundaire data essentieel.
- Primaire data is specifiek voor jouw organisatie, zoals meterstanden, facturen, leveranciersinformatie of product carbon footprints (PCF’s).
- Secundaire data is generiek, zoals industrie-gemiddelden, statistieken of proxydata.
Het GHG-Protocol geeft een duidelijke hiërarchie: primaire data heeft de hoogste kwaliteit, gevolgd door secundaire data en tenslotte schattingen. Het gebruik van secundaire data is acceptabel wanneer primaire data niet beschikbaar is, mits aannames en bronnen goed worden gedocumenteerd.
“Scope 3 weegt het zwaarst. Ketenemissies (scope 3) vormen voor bedrijven in de foodsector vaak meer dan 80% van de gehele uitstoot. Juist deze emissies zijn niet altijd volledig te verifiëren. Je moet dus echt stappen zetten grip te krijgen op deze data. Ontbreekt er data, dan werken wij met onderbouwde schattingen die wij vastleggen zodat deze in de toekomst verbeterd kunnen worden.” Astrid Klooster, Adviseur Duurzaamheid en projectleider bij Groenbalans.
Betere CO2-data, scherper beeld
Per emissiescope legde het team vast welke gegevens nodig waren, wat er al lag, wat ontbrak en welke afdeling moest aanleveren. De berekening van de footprint van het bakkersbedrijf steunde zoveel mogelijk op deze drie pijlers:
- Primaire bedrijfsdata uit de eigen organisatie
- Activity-based emissieberekeningen
- Gevalideerde databronnen zoals Agri-footprint en EXIOBASE
Daarmee kon het team industriële emissies scheiden van FLAG-uitstoot (Forest, Land and Agriculture) uit de voedingsketen. Het resultaat: een veel nauwkeuriger en breed gedragen klimaatbeeld.
Op dat fundament formuleert het bedrijf nu concrete reductiedoelen. Dat is een stap richting validatie door het Science Based Targets initiative (SBTi) en een voorbereiding op toekomstige CSRD-verplichtingen.
“Dankzij Groenbalans hebben we nu een scherp beeld van onze industriële én FLAG-impact en een heldere route richting SBTi-goedgekeurde reductiedoelen.” Bart Smit, directielid, Braas Brood- & Banketbakkerij B.V.
Van rapportage naar sturing
Het traject leverde meer op dan cijfers. Het verzamelen en analyseren van data maakte zichtbaar wie waarvoor verantwoordelijk is, hoe processen lopen en welke rol elke afdeling speelt in de duurzaamheidsdoelen.
Tegelijk bleek: losse initiatieven leiden niet vanzelf tot samenhangende sturing. Operations, Inkoop en Finance werken elk vanuit hun eigen perspectief aan verduurzaming. Wie resultaten wil monitoren en prioriteiten wil stellen, heeft centrale coördinatie nodig.
‘Het in kaart brengen van alle materialen en producten voor acht projecten – tot en met de bestelde schroeven aan toe – was een enorme klus. Groenbalans heeft ons geholpen de juiste structuur vast te houden en de dataverzameling systematisch aan te pakken Dankzij dit onderzoek beschikken we nu over een goede basis om de komende jaren gericht te sturen op duurzamere materiaalkeuzes.” Sandra Zomervrucht, Manager Duurzaamheid Knaapen.
Meer informatie
- CO2-footprint Readiness Score: de checklist om te ontdekken hoe compleet jouw CO2-footprint is.
- EmpCo uitgelegd. Niet: hoe zeg je het. Wel: hoe bewijs je het
- De impact van science-based targets op bedrijven
- Scope 2 begrijpen in de vernieuwde SBTi Corporate Net-Zero Standard V2.0
